Mensen leren. Dat is het mooie: voor mensen is het bijna onmogelijk om niet te leren. Daarin onderscheiden we ons van andere levende wezens op deze aarde. Mensen zijn gemaakt om te leren, het zit in de genen.  We leren het meest als we intrinsiek gemotiveerd zijn. Door de snelle ontwikkeling van ICT is de vraag of we door het inzetten van ICT in opleidingen de intrinsieke motivatie voor het leren verhogen, relevant voor opleiders. Vooral omdat de meningen hierover verdeeld zijn, maar het zoeken naar het antwoord op deze vraag steeds urgenter.

Eerst even een uitstapje naar een gezaghebbend omvattend wetenschappelijk model voor motivatie van mensen, Self Determation Theory (SDT). Het model ziet de mens als pro-actief, zoekend naar nieuwe ervaringen. Het gaat uit van drie psychologische basisbehoeften: relatie, competentie en autonomie en veronderstelt vandaar uit een intrinsieke motivatie bij ieder mens om zich te ontwikkelen en te leren.

Volgens de zelfdeterminatietheorie kan extrinsieke motivatie de intrinsieke motivatie ‘verdringen’. Een persoon die extern gemotiveerd wordt, zal zich niet autonoom voelen en daarom minder intrinsiek gemotiveerd raken. Een leeromgeving die appelleert aan autonomie, sociale verbondenheid en competentie , verhoogt naar alle waarschijnlijkheid de intrinsieke motivatie van de lerende. Omgevingsfactoren, waaronder veel externe sturing, zijn daarbij veel minder belangrijk. Dat kan door de lerende gezien worden als aantasting van zijn autonomie, waardoor de intrinsieke motivatie wordt verlaagd.

Hoe kun je ICT het leren zodanig laten ondersteunen dat de elektronische leeromgeving appelleert aan de drie aspecten van het SDT-model?

Elektronische leeromgevingen bieden heel veel mogelijkheden om in groepen samenwerkend te leren. Hierdoor kan de sociale verbondenheid tussen lerenden zeker worden geborgd. De meest effectieve leertrajecten zijn ontworpen op basis van zinvolle en betekenisvolle doelen. Dus ook aan de voorwaarde van competentie kan, al dan niet met de inzet van ICT worden voldaan.

Het invullen van de voorwaarde om de lerende meer autonomie te geven over het leren, vinden opleiders in het algemeen een stuk lastiger. Dat de mogelijkheden die Web 2.0 biedt om de lerende zelf het tempo, de tijd en de plaats waar geleerd wordt en zelfs wát er geleerd wordt, schijnbaar onuitputtelijk zijn, motiveert ontwerpers en opleidingsmanagers niet om er ook daadwerkelijk gebruik van te maken. Integendeel, het maakt dat sommige opleiders juist huiverig zijn om die mogelijkheden te benutten. Want naarmate de autonomie van de lerende toeneemt, neemt die van de opleider af. Dat betekent dat docenten en schoolleiding het leertraject veel moeilijker kunnen structureren. Alleen maar lastig dus, het uit handen geven van grip en controle. Anderen pleiten juist voor zoveel mogelijk autonomie voor de student. Zij krijgen al snel het verwijt dat ze leeromgevingen willen creëren waarin de lerende “het zelf allemaal maar moet uitzoeken”.

Doordat de technologie steeds goedkoper en gebruiksvriendelijker wordt en binnen afzienbare tijd alomtegenwoordig is, kunnen opleiders niet op hun handen gaan zitten. Lerenden hebben binnen enkele jaren alle informatie van de wereld permanent (en mobiel) ter beschikking.  Volgens Prof. Dr. Rob Martens , hoogleraar aan de Open Universiteit, heeft dit drie belangrijke gevolgen voor het leren:

  • Lerenden hebben zelf meer vrijheid om vanuit hun nieuwsgierigheid te leren wat, waar en wanneer zij willen. Het vergroten van keuzevrijheid zal volgens hem standaardisatie van het onderwijs onherroepelijk doen afnemen.
  • Technologie maakt samenwerking tussen lerenden mogelijk, waarbij de traditionele grenzen van het onderwijs minder betekenis zullen krijgen.
  • Dankzij ICT kan het onderwijs veel beter rekening houden met diverse leerbehoeften en leervoorkeuren. Lerenden worden “minder in een standaard mal geperst” en voelen zich daardoor eerder competent.

Deze belangrijke bijdrage van ICT aan het verhogen van de intrinsieke motivatie van lerenden, kunnen opleiders naar mijn mening niet onberoerd laten. De uitdaging voor opleiders is het zoeken naar mogelijkheden om én structuur te bieden én de autonomie te bevorderen. De sturing kan deels door mede-lerenden worden gegeven, door afspraken die je met lerenden maakt èn door sturing die een grotere autonomie juist kan faciliteren (als lerenden daar behoefte aan hebben). Autonoom leren betekent namelijk niet ‘zoek het zelf maar uit’. De uitdaging voor opleiders is het bieden van kaders waarbinnen de lerende een grote mate van vrijheid krijgt om zelf sturing te geven aan zijn leerproces.